Besluitvorming
De reflex naar de oplossing
Er is een moment in vrijwel elk traject dat niemand opmerkt. Het duurt een halve minuut. Iemand vat de opgave samen, er wordt geknikt, en vanaf dat moment gaat het over oplossingen.
Die halve minuut bepaalt de rest. Solutionisme heet dat: de neiging om een vraagstuk te behandelen als iets waarvoor de oplossing al bestaat en alleen nog moet worden gekozen.
Waarom het gebeurt
Bestuurlijke omgevingen belonen voortgang. Een overleg waarin je een besluit neemt voelt productief, een overleg waarin je constateert dat de vraag nog niet klopt voelt als stilstand. Dus versnellen we door de fase waarin de vraag zou moeten worden geopend.
Rittel en Webber schreven in 1973 al dat bij complexe maatschappelijke problemen het formuleren van het probleem samenvalt met het bepalen van de oplossingsrichting. Wie de vraag vastlegt, heeft impliciet al gekozen. Dat is niet erg, zolang je het weet. Het wordt een probleem wanneer die keuze onzichtbaar blijft, want dan is er nooit over gesproken.
Hoe beter je een verkeerde vraag beantwoordt, hoe verder je van de werkelijke oplossing af raakt.
Hoe het er in de praktijk uitziet
Een gemeente wil beleid op zorgtechnologie. De vraag wordt: welke technologie gaan we stimuleren? Er volgt een verkenning van leveranciers, een subsidieregeling en een pilot. Twee jaar later is er niets veranderd in de zorg zelf.
De vraag die niet gesteld werd: wat is hier eigenlijk het probleem dat technologie zou moeten oplossen, en van wie is dat probleem? Als het antwoord daarop is dat wijkverpleegkundigen te weinig tijd hebben, dan is een subsidieregeling voor leveranciers een merkwaardige zet.
Ik heb dit in bijna elk domein gezien. De oplossingsrichting zat al in de opdrachtformulering, en niemand had hem daar bewust in gestopt.
Drie vragen die de opening forceren
Wat helpt is niet meer analyse. Wat helpt is drie vragen, gesteld voordat er iemand over oplossingen begint.
Wiens probleem is dit? Niet: wie heeft er last van. Wel: wie zou het merken als dit morgen was opgelost, en wie zou het merken als we niets deden? Als die twee groepen niet overlappen, heb je een ander vraagstuk dan je dacht.
Wat zou er waar moeten zijn? Elke probleemformulering bevat aannames over hoe de wereld werkt. Maak ze op. Meestal blijken er drie of vier waarvan niemand weet of ze kloppen, en één die aantoonbaar onjuist is.
Welk besluit zou dit oplossen? Als je het antwoord daarop niet kunt geven, is dit nog geen besluit. Het is een zorg. Zorgen zijn legitiem, maar je kunt er geen ja of nee op zeggen, en dus blijven ze terugkomen op de agenda.
Het ongemak
Deze vragen stellen kost tijd en levert op korte termijn niets zichtbaars op. Erger nog: ze maken het vraagstuk aanvankelijk groter. Dat is precies waarom ze zelden gesteld worden, en waarom het loont om er iemand voor in te huren die geen belang heeft bij de snelle route.
De winst komt later. Een besluit dat rust op een vraag die klopt, wordt niet drie keer heropend.
