| 1. De vraag openen | Voordat er iets te kiezen valt moet vaststaan waarover je beslist. Wie de probleemformulering vastlegt, bepaalt al een deel van de oplossingsrichting. We halen die impliciete keuze met elkaar naar boven en formuleren de keuzevraag opnieuw. |
| 2. De context verkennen | Welke partijen, waarden en belangen raken elkaar hier, en hoe hangen ze samen? We kijken naar de systeemdynamiek onder de symptomen: welke patronen houden de situatie in stand, en waar heeft een ingreep werkelijk effect. Ook de belangen die geen stem hebben komen op tafel. |
| 3. Opties ontwikkelen | De meeste trajecten stranden op twee varianten van hetzelfde idee. We ontwikkelen minimaal drie wezenlijk verschillende richtingen, plus de optie om niets te doen. Per optie kijken we wie wint, wie verliest, en hoe moeilijk het is om terug te komen op de keuze. |
| 4. Wegen en kiezen | Wat telt als een goed besluit, en wie bepaalt dat? We benoemen de criteria, de weging en de aannames. Wat je opgeeft door te kiezen komt op tafel. En dan wordt er gekozen, want een afweging die niet in een besluit eindigt is een oefening. |
| 5. Motiveren en volgen | De redenering wordt vastgelegd zodat betrokkenen haar kunnen volgen en betwisten. Daarbij spreken we uit wat we verwachten te zien als gevolg van het besluit, hoe we dat volgen, en wat we doen als het anders loopt: wanneer gaan we opnieuw om tafel, en wie brengt het dan in. |